Koffie voor de Sint

Omdat hij ’s nachts het dak op moet

doet Sint zich flink aan koffie tegoed

En drinkt hij naast zwart

ook met schuim, verfraaid met art

Overdag aan het dichten

om zijn aandacht op iets leuks te richten

Alle schoenen immers al ’ns voorzien

en zelden een tevreden gezicht gezien

Om alle grijpgrage handjes te bedienen

kan Sint níét meer zonder cafeïne

Zo mijmert hij tussen de daken door

Waar doe ik ’t eigenlijk nog voor?

Liever is hij aan het woordhouwen

dan bodemloze putten vol te stouwen

 

Een beetje brutaal uit de hoek

komt hij met ’t volgende verzoek

Zet u behalve uw schoen

ook eens een bakkie voor die ouwe Kapoen?

Etaleren

Zeggen waar ’t op staat

Je mening bloot op straat

Het achterste van je tong tonen

én met een gelikte show opkomen

Vol klare taal, een raak verhaal

verguld met stilistisch pracht en praal

Wat jij vindt dat er gezegd moet worden

warm gegoten in gevatte woorden

Je schrijft recht-door-zee, wind tegen of wind mee

ongehinderd door a-a-b-b

En desondanks jouw vrees voor planken

steek je je woorden onder stoel noch banken

Maar wat wil je eigenlijk etaleren

met jouw volzinnig presenteren?

Voordenken

Ik probeer zo veel mogelijk open te staan voor wat er om mij heen gebeurt. Door dit hier op te schrijven zet ik er een soort van verplichting achter, een streep onder. Het lukt namelijk nog niet zo goed. Ik ben vooral druk met kijken en luisteren naar wat er zich binnen in mij afspeelt. Gedachten, fantasieën, zorgen, herinneringen (aan angsten wijd ik een aparte – hele dikke – blog); ik speel ze non-stop af, op repeat. En als ik mijn leuke herinneringen allemaal bekeken heb, zijn er altijd nog die waar ik spijt van heb. Die compenseer ik weer –geen tijd voor spijt! – met fantasieën. Hele scènes voer ik op, op mijn mentale bühne. Inclusief lachtape. Maar hoe goed de ‘voorstelling’ ook was… ik sta altijd met een onvoldaan gevoel weer buiten.

Dus nee, ik sta niet helemaal open, soms zelfs helemaal niet. Vooral als ik me zorgen maak. Dan sta ik enkel open voor vluggertjes: korte momenten van afleiding, krachtig genoeg om me even uit m’n maalstroom te trekken. En als lichamelijk genot (Je wil niet weten hoe snel ik een boterham met pindakaas verslind; krijgt niet eens de kans om aan m’n ver-/gehemelte te blijven plakken (tenzij ’t biologische is, die laat nooit(!) meer los)) niet afdoende is, dompel ik mij weer onder in fantasieën. En al die tijd ben ik me maar weinig bewust van wat er zich om mij heen afspeelt. Wat er in ‘t écht te zien en te horen is.

Als ik één geitenwollensokkencitaat mag, uh, citeren: ‘Let your senses guide you through this world, not your thoughts.’ (Osho) Het heet immers niet voor niets nádenken… Ik ben vooral aan ’t vóórdenken. Beetje zonde, want hoe rijk versierd mijn podium-aan-de-binnenkant-van-mijn-ogen (Bassie, van Bassie en Adriaan) ook is, het wordt beperkt door dat wat ik tot nu toe heb vergaard aan ‘beeldmateriaal’. Dus zelfs als, áls ik wil blijven dagdromen… mag ik wat vaker goed om me heen kijken om nieuwe decorstukken te verzamelen.

Maar goed, bij deze zwart op wit: lichten uit, gordijnen dicht, schmink af, en ogen open.

Zo dus

Een blogje tussendoor, werd wel eens tijd.

Raar, om te schrijven voor de ander, terwijl ik terwijl ik dit schrijf de enige toehoorder ben. De woorden vormen zich min of meer spontaan terwijl ik bedenk wat ik schrijf (ik ’t, drie keer ‘terwijl’ vlak achter elkaar, maar mag ik even?). Nog geen idee hoe de volgende zin eruit gaat zien.

Zo dus.

De woorden volgen mijn gedachten, met mijn vingers als medium. Misschien zijn mijn gedachten zelf ook wel een medium, om dieper liggende behoeften bloot te leggen. Misschien mijn behoefte om gehoord te worden, of erkend? Juist mijn schrijf- en leeswerk isoleert mij; mijn laptop schermt mij af van mijn omgeving. Dus die behoefte aan contact, bevredig ik op een wijze die de afstand tot de ander juist vergroot; en houdt deze behoefte dus in stand. (Nu snap ik Twitter!)

Dat ga ik dan maar eens doorbreken. Tijd om wat lijntjes uit te gooien. Op zoek naar de ander. Hopelijk zonder al te veel remmende gedachten. En laat ik die dan ook maar onder woorden brengen, nu ik toch bezig ben. Bijvoorbeeld ‘waar bevind ik mij eigenlijk op de lijn tussen opdringen en flirten?’ en ‘wil ik vertellen, of wil ik vragen?’ of überhaupt: ‘Wat wil ik eigenlijk?’

Tot nu toe maak ik vooral non-verbaal contact. Een glimlach, of een blik van verstandhouding; ook ‘sociale media’, met elk hun charme. En dan vooral de charme van eigen interpretatie. Reden te meer om eens in ’t diepe te duiken. Onderzoeken, desnoods met een ‘sorry geen tijd’, ‘wat wil je van me?’ of andere doodloper als gevolg – alhoewel die laatste eigenlijk best een goede vraag is.

Maar vooralsnog schaats ik als een prof, op mijn eigen baan, en ben ik vooral goed geworden in het ontwijken van alle wakken. Zodra het gaat dooien, ben ik de lul.