Versgeperste jus

Haar ogen zijn geelgroen, bijna fluorescerend. Ze liep zojuist voor de vierde keer voorbij; dit keer met een versgeperste jus (dat moet je er immers altijd bij vermelden), en onze ogen vonden elkaar – weer. Ze nam net een slok door haar rietje toen ze terugkeek. Ik had zo lang mogelijk gewacht met opkijken vanaf mijn laptopscherm.

Ze is mooi, heeft een lichte tint, lange bruine haren en zodra ze me aankijkt voel ik een kleine stroomstoot; als schrikdraad, om verboden terrein. Haar blik is ernstig, misschien als automatisch verdedigingsmechanisme: ik ben vast niet de enige die haar mooi vindt. Toch keken we elkaar nu al vier keer aan, zit ze vlak achter mij – waardoor ik me kan inbeelden dat ze mij al vaker heeft bekeken – en gaf ik haar toen ze net voorbijliep een glimlachje, waarna haar blik ietsje zachter werd. Ietsje.

Haar versgeperste jus was vast een beetje zuur.

Nomofobie

Hoe vul ik in hémelsnaam m’n tijd

als tot m’n grote spijt

m’n smartphone nog op tafel ligt

ik verstoken ben van elk bericht

Inmiddels gewend

aan alles direct on demand

Het wachten op verleerd

Ongeduld gecultiveerd

als een Napolitaan die door ’t verkeer verkeert