Schaamte (2)

Lange tijd verwarde ik ‘hem’ met mijzelf. ‘Hij’ (geen zorgen, die hoofdletter staat er vanwege het begin van de zin) nam vaker dan me lief was de honneurs waar. Geen wonder: ik heb hem die rol jarenlang toebedeeld.

Hij denkt mij nog steeds te representeren, al is hij intussen een gedateerde karikatuur. Zodra ik anticipeer sprint hij voor me uit; springt hij op de bühne. Klaar om te schitteren, maar beter gezegd (en dan had ik lang niet door): klaar om mijn mankementen te maskeren. Ingebeelde mankementen – ik was als puber vrij creatief.

Mijn schaamte was zijn brandstof. Inmiddels schaam ik me voor hém.

Onbereikbaarheid

Terwijl ik terugdacht aan mijn trip naar Napels vond ik ineens de analogie die ik zocht om mijn theorie over onbereikbaarheid te verduidelijken. Rij je even mee?

In Napels toeteren en tieren automobilisten al bij de minste geringste manoeuvre van de auto voor hen. Het kan inderdaad irritant zijn als de auto voor je treuzelt (een Nederlandse toerist, misschien?), zonder richting aan te geven ineens rechts afslaat of je afsnijdt, maar de frustratie ontstaat volgens mij, mede, doordat je je irritatie of onbegrip niet kunt overbrengen. De afstand, of beter gezegd, de onbereikbaarheid van de ander is de bron van die frustratie; niet mijn… ik bedoel zíjn of haar gestuntel in het verkeer. Lees verder