Tien onmisbare schrijftips voor fictieschrijvers

Hieronder vind je mijn tien meest geplaatste verbetertips voor fictiemanuscripten, die met name van toepassing zijn op je personages. Met reden: zonder realistische personages komt je verhaal niet tot leven.

Tip 1

Varieer met personagenamen. Tom, Toby en Thomas lijken verwarrend veel op elkaar – ook al is Toby een kat. Dit kom ik echt héél vaak tegen.

Zéker nooit doen: meerdere personages dezelfde naam geven.

Tip 2

Laat ieder personage op een nieuwe regel aan het woord, aangevuld met ‘zei X/Y’ et cetera als hier onduidelijkheid over kan bestaan:

‘Filmpje pakken vanavond?’ vroeg Henk aan zijn vrouw.

‘All you Need begint over vijf minuten, schat.’

‘Pff, ik vraag de jongens wel.’

‘Die hebben morgen tentamens, schat.’

‘Pap, Starwars draait!’ riep David van boven.

Tip 3

Laat je personages in hun éígen woorden praten of denken, dus inclusief stopwoordjes, koosnaampjes (‘schat’), vloeken en humor (of een kenschetsend gebrek hieraan), liefst zonder ze clichés en platitudes in de mond te leggen – tenzij je ze bewust als stereotypes wilt neerzetten.

Leg je personages ook geen woorden van de verteller in de mond. Want ook al pleit ik er in tip 5 voor om de lezer vooral via de dialoog te informeren, een citaat als hieronder mag je je personages écht niet aandoen:

‘Dus je moeder, die jou al vijf jaar niet heeft gesproken omdat ze Suze niet kan uitstaan, heeft je gisteren gebeld op je veertigste verjaardag?’

Tip 4

Door wiens ogen beleven we het verhaal? Kies één perspectief per hoofdstuk, scène of alinea.

In onderstaande scène (in de derde persoon) ligt het perspectief bij de naamloze man:

De barista kwam hem wel heel bekend voor…

‘Wat kan ik voor je maken?’ vroeg ze.

Emma! Hoe kon hij dat nou vergeten? Zou ze hem nog herkennen? Al was het natuurlijk bij die ene nacht gebleven.

‘Meneer?’ Er waren blosjes op haar wangen verschenen.

Of Emma hém herkende blijft hier in het midden, dat valt immers buiten zijn perspectief.

Door je te beperken tot het perspectief van je personages, krijgt de lezer enkel mee wat je personages weten, voelen en ervaren. Niets meer. Dit is niet alleen cruciaal voor het creëren van spanning, maar tevens voor het tot leven brengen van je personages, en daarmee je verhaal.

Tip 5

In sommige manuscripten, vooral thrillers, lijkt het of de schrijver niet kon wachten al zijn kaarten op tafel te leggen – met alle gevolgen van dien voor de spanning. Maar waarom zou je de lezer vooraf informeren en voorbereiden op wat komen gaat? Laat bijvoorbeeld nog even in het midden waarom oma niet over haar verleden wil praten.

Een efficiënte manier om je kaarten een voor een uit te spelen, is wachten tot oma of je personages dit, dat of wát dan ook vanzelf ter sprake brengen.

Informeer de lezer elk geval niet dubbelop, dus eerst buiten de dialoog en vervolgens via. Dat is dubbelop en saai. Informeren via de dialoog heeft bovendien als voordeel dat de lezer tegelijkertijd je personages leert kennen, door hun manier van vertellen en wedervragen stellen – zie tip 3.

Tip 6

Zo ongeduldig als de schrijver soms lijkt om de plot prijs te geven, zo onzeker lijkt hij soms of de lezer wel begrijpt hoe een personage zich voelt of iets bedoelt. Met hetzelfde resultaat: hij vertelt het dubbelop.

Kijk maar eens naar de volgende voorbeelden:

Veerle kon haar teleurstelling amper verbergen. (*)

‘Hoe bedoel je, zonder mij?’ vroeg ze beteuterd.

En:

Mark schaamde zich rot. (*)

‘Tja, het was laat en ik, uhm…’ Hij staarde naar zijn schoenen.

En:

Hij stond te popelen om het haar te vertellen. (*)

‘Heleen, je raadt nóóit wat ik gehoord heb!’

Alle *-zinnen mogen van mij worden geschrapt: de zin erna maakt ze overbodig.

Om tip 5 en 6 samen te vatten: laat je personages het verhaal vertellen. Daaronder ‘versta’ ik tevens de interne monoloog van personage tot lezer; dat is immers de magie van fictie.

Tip 7

Aanvullend op tip 6: vergeet niet het non-verbale in te zetten, dat spreekt vaak boekdelen.

‘En, lieverd, vind je van m’n nieuwe kloffie?’ vroeg ik.

Met opgetrokken neus schudde ze langzaam haar hoofd.

Of:

Na me met grote ogen van top tot teen bekeken te hebben, ontsnapte een proestlachje aan haar lippen.

Of:

Ze plaatste haar handen op haar heupen, tuitte haar lippen, en nadat ze me van top teen had bekeken glimlachte ze op die manier die, zo wist hij, maar één ding kon betekenen…

En hoe zou ze bijvoorbeeld non-verbaal reageren als de ‘ik’ haar aan haar overleden broer deed denken, die zo’n zelfde kloffie droeg op die fatale dag. Gecombineerd met tip 4 – ervan uitgaande dat het perspectief bij de ‘ik’ ligt, die haar reactie niet direct kan duiden (en de lezer dus ook niet) – kan dit de verwarring en emoties flink opschroeven. Veel meer elk geval dan wanneer je de lezer vooraf ‘verklapt’ aan wie de ‘ik’ haar deed denken.

Tip 4 en deze tip liggen trouwens nauw samen: je kunt het non-verbale alleen beschrijven vanuit het personage bij wie het perspectief ligt. Het personage zal zich immers niet bewust zijn van zijn éígen gezichtsuitdrukking, tenzij hij voor de spiegel staat.

Tip 8

In veel manuscripten lijken de inspanningen van de schrijver zich te hebben vertaald naar de plot en personages: zo serieus, zo ‘literair’. Zo saai. Maar je lezers (en je redacteur, wat dat aangaat) willen uiteindelijk gewoon vermaakt worden, ook als je een bloedstollende thriller of Grote Roman schrijft.

Neem een voorbeeld aan Stephen King. Maakt niet uit hoe gruwelijk zijn verhalen, er is altijd ruimte voor een lach. Zo moest ik hardop proesten om de scène in Kings Revival waarin een narrige opa zijn oude bluesgitaar van zolder haalt: ‘Eens kijken of ik die bitch nog kan stemmen.’

Het gaat me trouwens niet per se om een schaterlach: een glimlach kan al de nodige lucht brengen in een zwaarmoedig verhaal over bijvoorbeeld zelfmoord.

Tip 9

Gebruik de voltooide tijd alleen om flashbacks in te luiden. Dus:

Hij was die avond al vroeg van huis vertrokken. (De zinnen erna mogen vervolgens in de onvoltooide tijd.)

Gebruik in alle andere gevallen de onvoltooide tijd. Dus:

Hij vertrok die avond al vroeg van huis.

Het grote nadeel van de voltooide tijd is namelijk dat de beschreven scène al achter de rug ligt. De lezer krijgt hierdoor het idee dat hij er niet bij mocht zijn.

Tip 10

Zet minimaal één kritische proeflezer op je manuscript en beloon hem of haar per gevonden inconsistentie (taalfouten uitgezonderd) met een speciaal biertje of chocoladereep. Daar doe je tevens je redacteur een plezier mee, want het is knap lastig een manuscript te redigeren als er nog inhoudelijke onjuistheden en onduidelijkheden in staan.

 

Mijn voornemen voor 2020? Zo véél mogelijk schrijvers helpen. Dus delen mag!

 

2 gedachten over “Tien onmisbare schrijftips voor fictieschrijvers

  1. Goede tips!

    De Engelse auteur E.M. Forster heeft slechts 6 romans geschreven maar die zijn zo mooi dat ze nog altijd bestudeerd worden.
    Zijn eigen boek met tips (“Aspects of the novel”) is inmiddels bijna 100 jaar oud maar blijft een aanrader.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.