Freelance-onzekerheden

Tegenover alle voordelen van mijn werk als freelance redacteur staat één groot nadeel: onzekerheid.

Lever ik een klus in, krijg ik meestal (maar niet altijd) een bedankje van de bureauredactie. Soms hoor ik een paar dagen later dat ze – de bureauredactie, vertaler of schrijver – blij waren met mijn feedback en correcties, maar meestal hoor ik niets. Geen nieuws is goed nieuws, vul ik dan zelf maar in.

Daarna komt het wachten op de betaling én op de volgende klus. De betaling komt meestal wel goed, al duurt dit soms twéé maanden en moet ik er soms achteraan mailen, terwijl het boek intussen al in de winkel ligt – gênant. Maar die volgende klus: díé bevestigt pas dat ze tevreden waren over m’n vorige. En bij elke nieuwe opdrachtgever is dit weer spannend. Spannend op een prettig tintelende manier, dat wel.

Het wordt pas spannend op een knagende manier als een uitgever waar ik al langer voor werk ineens niets meer van zich laat horen. Ook niet als ik een mail stuur. Was mijn laatste klus niet goed? Had ik dat grapje in de kantlijn achterwege moeten laten? Of dat uitroepenteken in het mailtje waarin ik mezelf voorstelde aan de nieuwe bureauredacteur van uitgeverij X en ik schreef dat X vorig jaar ‘mijn grootste opdrachtgever was!’?

Wat het uitbesteden aan freelancers betreft, heb ik geen idee hoe het er bij uitgeverijen aan toegaat. Wordt er af en toe vergaderd over ‘ons’, bijvoorbeeld? Worden we dan als speelkaarten over tafel geschoven, en komen we ofwel op de goede, ofwel op de foute, ofwel op de reservestapel (voor als de anderen geen tijd hebben) terecht? Dat zou ik natuurlijk kunnen vragen, maar de meeste uitgevers beantwoorden geen mails die niet direct met een opdracht te maken hebben. Al hangt dit enorm af van de bureauredacteur, weet ik intussen. (Thijs, Leonie, ik mis jullie!)

Die onzekerheid maakt elk geval dat ik, zoals afgelopen week, nét iets te gretig ja zeg als ik ineens weer gevraagd word door een uitgever waar ik al maanden niets van gehoord heb. Terwijl ik eigenlijk geen tijd heb. Zit ik weer een weekend door te werken, terwijl ik mezelf beloofd had tijdens de zomermaanden wat vaker een terrasje te pakken (en nee: werken op een terras gaat echt niet).

Zou het nu nog regenen…

 

Giftig

Aankomende week twee deadlines, waaronder mijn eerste klus voor De Bezige Bij (en pas nu ik dit intyp, zie ik de ironie*). Dus: doorknallen. Geen tijd voor treuzelende toeristen, bekenden, lege banden, volle vaatwassers.

En ook geen tijd voor wespensteken – hoe kwam die motherfucker überhaupt onder mijn overhemd? Ik voelde iets kriebelen, krabde, voelde een steek en nu ligt-ie op de grond van het koffietentje te kronkelen. Moet ik nou iemand vragen het gif eruit te zuigen? Ik kan er zelf niet bij…

Goed, azijn, volgens Oma Weet Raad. Dus ik snel naar de dichtstbijzijnde super, maar het prikt nog steeds. Beter dat ik niet duizelig word, of weet ik veel wat. Niet. Nu!

Gíftig kan ik hier van worden.

 

* Ja, ja, een bij is geen wesp…

 

Egoplatform?

Klopt, ik schrijf hier voornamelijk over mezelf. Maar een blog is toch niets anders dan een publiek dagboek? Een egoplatform? Of zit er meer achter mijn exhibitionisme?

Schrijven kan verhelderen en opluchten. Net als praten. Toch kun je pas écht bij iemand je hart luchten als je precies weet wat je dwarszit, wat niet altijd het eerste is wat in je opkomt. Bovendien speelt het (vermeende) geduld van de luisteraar een rol. Bij mij althans.

Schrijven helpt me mijn woorden goed op een rijtje te zetten, en daarmee mijn gedachten. En het idee dat ‘iedereen’ (al mijn vijftig volgers) meelezen, dwingt me mezelf zo scherp mogelijk te verwoorden.

 

Drogdrogering

Dit stukje wilde ik al talloze keren eerder tikken, maar het is een verwijt, en verwijten lezen niet prettig. Bovendien worden ze in de regel niet gelezen door degenen voor wie het verwijt bedoeld is.

Maar nu bevestigde de krant* waar ik me al jaren zorgen over maakte: koeien zien niet scherp genoeg van dichtbij om plastic en ander afval van gras te kunnen onderscheiden. Op de foto bij het stukje laat een dierenarts een blikje zien dat hij uit de maag van een koe heeft gehaald.

Van dat laatste stond ik te kijken, want mijn zorgen betroffen vooral sigarettenpakjesfolie. Die folie die vrijwel iedere roker op de grond laat vallen alsof het deel uitmaakt van het aanbreken van een nieuw pakje.

De amateurpsycholoog in mij stelt zich zo voor dat je als roker misschien een enkele keer héél even denkt: wacht effe… Maar het folie dan vervolgens tóch laat vallen, omdat je hiermee alle vorige keren dat je dit deed vergoelijkt. En andersom: alle vorige keren vergoelijken dat je het ook nu op de grond laat vallen. Tel daar het feit bij op dat iedereen zijn folie (en andere zooi) op de grond gooit en je hebt genoeg voedingsbodem voor een drogreden: Zó erg kan het niet zijn, want… Precies dezelfde psychologie die verklaart waarom je überhaupt rookt, maar dat terzijde.

Jezelf drogeren met een drogreden. Daar heeft iedereen, ook niet-vervuilers zoals ik, een handje van.

 

* Ik lees geen kranten meer, maar krijg wekelijks een selectie knipsels van mijn moeder.

Nog steeds offline – nog steeds in leven

Het is inmiddels vrijwel vanzelfsprekend voor mij om thuis offline te zijn, maar zojuist dacht ik ineens aan die begindagen, jaren terug, toen ik net de knop had uitgezet en het roer had omgegooid: ik ging offline én ik werd redacteur. Freelance redacteur nota bene, dus zonder vaste opdrachtgever(s) en daarmee de noodzaak mezelf continu te profileren, wat je dezer dagen nou eenmaal vooral online doet. Doorgaan met het lezen van “Nog steeds offline – nog steeds in leven”

Zoals mijn laptop thuis tikt… (2)

Ik wíl het wel, en doe het ook regelmatig, maar echt wérken in koffietentjes, bibliotheken of andere buitenshuisplekken, om over terrasjes en exotische stranden – yeah sure! – nog maar te zwijgen, lukt me niet, omdat er altijd van alles beweegt achter mijn scherm. Het gepraat om me heen los ik wel op met oordopjes en Jungletrain.net, maar ook zonder op te kijken zie ik dat er iemand voorbijloopt. Of tegenover me gaat zitten. (En dan maar hopen dat het geen bekende is.) Doorgaan met het lezen van “Zoals mijn laptop thuis tikt… (2)”

Knikken in het belang van spontaniteit

Ik maak geregeld mee dat iemand iets gevats of grappigs zegt – althans, zo kijken ze er dan bij – waarna ik al knikkend en glimlachend probeer te begrijpen wat ze eigenlijk bedoelen, en of er sarcasme in het spel is, en of ik mijn eigen onzekerheid misschien terugzie in zijn of haar blik waaruit zou kunnen blijken dat ze ook maar een cliché opdissen. Doorgaan met het lezen van “Knikken in het belang van spontaniteit”