Moeilijke poëzie

Mijn antipathie (ik schreef eerst apathie) tegen moeilijke – dus niet-rijmende en niet-‘klinkende’ – poëzie werd flink opgestookt toen een ‘veelbelovende’ dichter (haar naam ben ik vergeten ) zo’n twee jaar geleden in de Volkskrant sprak over ‘al die bagger online die voor poëzie moet doorgaan’. Daarboven stond haar gedicht. Een kluwen woorden waarin ik nog geen draadje kon ontwaren, laat staan een rode. Maar ik zal het wel niet helemaal begrepen hebben. Doorgaan met het lezen van “Moeilijke poëzie”

De mooiste dag

Vorige maand redigeerde ik De mooiste dag, van Jamie Weisman, vrijwel spotless vertaald door Anne Jongeling. Een van de fraaiste manuscripten die ik ooit las. Het verhaal beslaat acht hoofdstukken die elk een ander personage beschrijven; personages van wie sommigen elkaar kennen en anderen elkaar voor het eerst zien op de bruiloft van Elizabeth, een wederzijdse vriendin.

In een van deze hoofdstukken staat de volgende alinea, die ik boekdelen vond spreken. Doorgaan met het lezen van “De mooiste dag”

Toeval of…

Van die toevalligheden, zoals dat ik regelmatig symmetrische tijden zie op digitale klokken (19:19, 21:21). Of zoals gister: een boot langs de Pletterijkade met de naam Raaf en een straat die de Hamerstraat heet, waar ik nog nooit eerder had gelopen ondanks dat ik al jaren in het centrum van Den Haag kom – wat toevallig is omdat Raaf en Hamer twee personages zijn in de thriller die ik momenteel redigeer. Doorgaan met het lezen van “Toeval of…”

Robbie

Toen de leraar Engels op de Paulus-mavo destijds de klassenlijst afging om te zien wie wie was en ‘Robbie’ zei, vond ik dat vreselijk. Dat ik thuis nog zo werd genoemd was al irritant genoeg; ik had de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs willen gebruiken om voortaan ‘Rob’ te heten, maar omdat mijn moeder alle formulieren invulde…

‘Nou, dat moet denk Rób zijn,’ zei hij, gelukkig, terwijl hij me wat langer bekeek.

Gister haalde ik mijn nichtje van twee op van het kinderdagverblijf. ‘Róbbie!’ riep ze, zodra ze me zag.

 

Vanzelfsprekendheid is een sluipmoordenaar – of nou ja, elk geval een sluipbedwelmer

Wat ik met dit stukje níét wilde zeggen, is dat je alleen gelukkig kunt zijn als je gezond bent, of als het stil is. Of als je geld hebt.

Wat ik wilde benadrukken is dat we vaak niet beseffen hoe rijk we zijn, vanwege de vanzelfsprekendheid die overal in sluipt.

In mijn geval: als ik de kerstdagen op de bank kan doorbrengen, laptop of boek op schoot, zonder rugpijn en hopelijk zónder herrie van boven, dan ben ik volmaakt gelukkig.

En nu wéét ik dat ook.

 

Don’t know what you’ve got till it’s gone

Geld, gezondheid en stilte. Toen ik het zonder moest doen, merkte ik pas hoe belangrijk ze zijn. Zij het in verschillende mate.

Geld was tót ik ging freelancen min of meer vanzelfsprekend. Tijdens mijn studie kreeg ik een volledige beurs en mijn IT-baan verdiende best leuk, waardoor ik altijd voldoende geld had en niet per se op elke euro (of gulden) hoefde te letten. Doorgaan met het lezen van “Don’t know what you’ve got till it’s gone”

De ontdekking

Op LinkedIn deel ik nu en dan de titel van het boek dat ik persklaar heb gemaakt (uitgeversjargon voor redigeren). Dan betreft het ofwel een boek waar ik veel werk aan had, ofwel een boek waarvan ik vind dat iedereen het zou moeten lezen. En soms beide.

Vorige week leverde ik de persklaar gemaakte vertaling in van de nieuwe Harlan Coben, De ontdekking (die wat mij betreft De waarheid zou moeten heten). Een van zijn beste vond ik, en ik deelde hem als volgt op LinkedIn: Doorgaan met het lezen van “De ontdekking”