Extreem luid & ongelooflijk dichtbij

Ken je dat, dat iemand je naar je favoriete boek vraagt en je dan ’s avonds denkt: waarom vond ik het ook alweer zo briljant? En dat je het dan openslaat en je voor je het weet ineens tien bladzijden verder bent? Met natte wangen?

Mijn favoriete boek (of elk geval een ervan) is dus Extreem luid & ongelooflijk dichtbij, van Jonathan Safran Foer. En in de week van 11 september en het jaar dat Stephen Hawking overleed, des te meer reden het een derde keer te lezen.

 

 

Meer romans, please

Ik las en lees graag thrillers en zal dit altijd blijven doen – bij een goed geschreven thriller duurt zelfs het omslaan van de pagina me te lang – maar elke week een andere gruweldood begint wat veel te worden. Bovendien snak ik naar meer mooie romans, oftewel verhalen die geen spanningsboog nodig hebben om mij toch zo snel mogelijk die bladzijde om te willen laten slaan.

Dus ben ik ontzettend blij dat ik onlangs twee romans heb mogen redigeren, voor Lebowski. Een andere uitgever heb ik deze week gevraagd of ik meer romans persklaar mag maken. Ik wacht nog op hun antwoord, maar door het hier alvast ‘secretiaans’ het universum in te sturen, hoop ik dat mijn wens gehoor krijgt.

Ik hou je op de hoogte…

 

Inferno

Terwijl ik aan het mijmeren was over overbevolking dacht ik ineens aan de oplossing die die mad professor uit Dan Browns Inferno hiervoor had, en toen pas drong de dubbelzinnigheid van de titel tot me door (spoiler-alert, mocht je hem nog niet gelezen hebben): Inferno / infertile (onvruchtbaar).

Of heb ik misschien te veel Browns gelezen?

 

Gefrustreerd

Het valt me ineens op hoeveel scènes in manuscripten uitlopen op een anticlimax. Wordt er volop geflirt en zindert de lucht van de seksuele spanning, eindigt de scène met een kus op de wang en: ‘Ik ga maar weer eens op huis aan.’

Kom óp! Het is fíctie: zelfs al zou je in het echt ‘op huis aan gaan’, schrijf dan hoe het had kúnnen lopen!

Soms wil ik mezelf juist even níét herkennen in de protagonist.

Oorlogsfictie

Eerder schreef ik waarom ik zo min mogelijk oorlogsboeken lees/redigeer. Non-fictie welteverstaan. Vooral Compartimenten van vernietiging (Abram de Swaan) en Hitlers eerste slachtoffers (Timothy Ryback) maakten een onuitwisbare indruk op me. En met onuitwisbaar bedoel ik dat ik nog steeds bepaalde beelden weg moet drukken op momenten dat ik bijvoorbeeld mijn neefjes en nichtje mijn volle aandacht wil geven.

Wat fictie betreft pak ik vrijwel alles op. Ook oorlogsfictie. Doordat het niet waargebeurd is, kan ik het makkelijker van me af zetten zodra ik het boek (of beter gezegd, mijn laptop) dichtklap. Al zijn de meeste verzonnen verhalen doorspekt met feiten en geschiedenisgetrouwe gruwelijkheden. Doorgaan met het lezen van “Oorlogsfictie”

Koffie: smeerolie voor je verhaal

Clive Cusslers personages krijgen regelmatig een mok hete koffie aangereikt, om even bij te komen of bij te praten bijvoorbeeld. Ook in andere fictieboeken begon me op te vallen hoe vaak er tijd wordt uitgetrokken voor koffie.

Schrijvers serveren, al dan niet bewust, om meerdere redenen koffie (of andere drank, maar opvallend vaak koffie), onder meer als show-don’t-tell-methode.
Doorgaan met het lezen van “Koffie: smeerolie voor je verhaal”

Harlan Coben

Gisteravond las ik De verbeelding uit, van Harlan Coben. Briljant, zoals altijd. In het dankwoord las ik dat Coben de donateurs van een goed doel (welke laat hij niet weten) beloont door personages in zijn volgende boek naar hen te vernoemen. Mooi gebaar! En een goede stok achter de deur om te blijven schrijven natuurlijk.

Dat blijkt wel: in oktober verschijnt er nóg een Coben. En één keer raden wie de vertaling persklaar mag maken!