Oorlogsdaad

Elke oorlogsdaad

is op het diepste plan bekeken

niets anders dan een poging

de barrières tussen ons te breken

 

 

PS. Voordat je dit rijmpje als zoetsappig of naïef betitelt: ik wil er, onder andere, mee zeggen dat je iemand eerst moet leren kennen om te weten of je hem/haar wel of niet mag, en niet dat je van iedereen zou kunnen houden (wat inderdaad wat zoetsappig en naïef zou zijn). Het is, naar mijn bescheiden mening, vaak de afstand of onbereikbaarheid tot anderen die ons frustreert.

 

Oorlogsfictie

Eerder schreef ik waarom ik zo min mogelijk oorlogsboeken lees/redigeer. Non-fictie welteverstaan. Vooral Compartimenten van vernietiging (Abram de Swaan) en Hitlers eerste slachtoffers (Timothy Ryback) maakten een onuitwisbare indruk op me. En met onuitwisbaar bedoel ik dat ik nog steeds bepaalde beelden weg moet drukken op momenten dat ik bijvoorbeeld mijn neefjes en nichtje mijn volle aandacht wil geven.

Wat fictie betreft pak ik vrijwel alles op. Ook oorlogsfictie. Doordat het niet waargebeurd is, kan ik het makkelijker van me af zetten zodra ik het boek (of beter gezegd, mijn laptop) dichtklap. Al zijn de meeste verzonnen verhalen doorspekt met feiten en geschiedenisgetrouwe gruwelijkheden. Doorgaan met het lezen van “Oorlogsfictie”

Oorlogsnon-fictie

Rond kerst 2013 las ik Compartimenten van vernietiging (Abram de Swaan). Het was een van mijn eerste correctieklussen – ik las hem absoluut niet voor mijn plezier. Nadat ik het ene na het andere gruwelijke detail uit de Holocaust en uit andere genocides tot me had genomen, zat ik die avond met een knoop in m’n strot naast mijn neefje aan het kerstdiner.

Daarna heb ik, omdat ik net was begonnen met redactiewerk en nog niet de luxepositie had om klussen te weigeren, nog veel meer oorlogsnon-fictie opgepakt. Tot ik in de biografie Kissinger (Niall Ferguson) las over zijn strategie om kernwapens kleinschalig in te zetten. Toen barstte de bom. In m’n kop. Deadline niet gehaald en daarna al mijn opdrachtgevers gezegd dat ik geen oorlogsnon-fictie meer doe. Doorgaan met het lezen van “Oorlogsnon-fictie”

Regimes, ideologieën en empathisch vermogen

Vanwege de dodenherdenking plaats ik deze eerder geschreven – nare – blog weer even bovenaan.

Om een of andere reden kreeg ik toen ik net was begonnen als freelance redacteur vooral oorlogstitels, en binnen een paar maanden wist ik meer over oorlogen, en met name de Tweede Wereldoorlog, dan ik zou willen. Een van die boeken was Compartimenten van vernietiging (Prometheus, 2014). Ik wist van de gaskamers, maar dat er door de nazi’s al voor die tijd en op zó’n grote schaal werd gemoord, daar had ik geen idee van.

Eén scène – haak hier gerust af – beschreef hoe een jong Joods meisje in paniek op een Duitse soldaat af rende, met haar armen gespreid. Hij stak haar neer.

Deze scène achtervolgt me nog steeds. Ik probeer me almaar voor te stellen wat die soldaat bewoog, waar zijn ‘toewijding’ vandaan kwam.

De soldaat werkte en leefde in dienst van een regime. Een regime heeft buitenstaanders en zondebokken nodig. Buitenstaanders om de omtrek van de groep te kunnen bepalen en zondebokken om alle problemen (het was zwaar crisis in die jaren) op te projecteren. Daarnaast kan ik me best voorstellen dat de ongehoorzamen en afvalligen zélf slachtoffer werden en dat het groepsgevoel dus niet alleen gebaseerd was op een gemeenschappelijke overtuiging of kameraadschap, maar ook op angst.

Misschien verklaart dit de moord die hij pleegde, misschien slechts deels. Misschien ís het ook niet voor te stellen en moet ik me afvragen hoe ik zélf zou handelen in zo’n situatie. Dat weet ik niet. Dat kan ik ook niet weten. En daar hoop ik ook als-je-blieft nooit achter te komen. Maar ik ga nog even door als advocaat van de duivel, enkel en alleen om het een plekje te kunnen geven.

Ik denk dat die soldaat op dat moment niet alleen het meisje maar ook zijn eigen empathie vermoordde. Hij ontnam zijn empathische gevoelens de ruimte er te zijn, omdat ze in strijd waren met de ideologie die hij aanhing. Deze ideologie (oftewel de overtreffende trap van ‘overtuiging’) had hij vervolgens nódig om zijn acties voor zichzelf te rechtvaardigen. Om zijn empathie te smoren.

Ik geloof niet dat je géén empathie kunt voelen. Ik geloof wél dat je dit kunt onderdrukken. Zijn ideologie – in dit geval het nazisme – vervulde deze functie.

Elk gespaarde leven ná deze moord zou hem vervolgens hebben geconfronteerd met zijn daden. Met zijn empathisch vermogen. Met zijn geweten. Dus bleef hij moorden. In dienst van zijn ideologie.