Hebben en heven

Uit onderstaand voorbeeld blijkt het voordeel van ‘u hebt’ ten opzichte van ‘u heeft’:

De dader die u heeft bedwelmd. (De dader bedwelmt? Of werd de dader zelf bedwelmd?)

De dader die u hebt bedwelmd. (De dader werd bedwelmd. Geen ruimte voor misinterpretatie.)

 

Na-apen

Aan alle taaltrend-‘spotters’ die zich storen aan clichés en manieren-van-zeggen (namen noemen is zeg maar niet mijn ding): we kletsen elkaar na omdat we elkaar nou eenmaal in álle opzichten na-apen. Daarmee verstevigen we ons plekje binnen de groep. Ongetwijfeld een oerrestantje overlevingsdrift. Vandaar: na-apen.

‘Infiltratie’

Terwijl sommigen zich druk maken over de ‘infiltratie’ van Engelse woorden in onze taal, gebruiken anderen maar wat graag Franse en Duitse woorden – ‘excusez-moi’, ‘aha-erlebnis’ – om hautain(!) over te komen.

Wat mij betreft: als een Engelse term algemeen bekend is én minder lettergrepen kost dan het Nederlandse synoniem én/óf geen goed Nederlands synoniem heeft – ‘hypen’ is niet voor niets opgenomen in de Van Dale – zie ik geen bezwaren. Mits je anglicismen – dit is bijvoorbeeld wat ik noem een anglicisme – en valse vrienden – ‘massief’ in plaats van ‘massaal’ (massive) – mijdt. Al zullen ook die vroeg of laat een plekje vinden in onze samenlev… ik bedoel taal.

De kwestie hen/hun

‘Dan moet je bij hun zijn’ en ‘Als het aan hun ligt’ klinken prima. Ik zeg het ook altijd zo, maar ik schríjf het met hen. Er mag namelijk geen voorzetsel voor ‘hun’, tenzij het bezittelijk wordt gebruikt (‘in hun auto’), en daarbij: hen-hun.

Schrijftaal en spreektaal lijken zich bij mij in verschillende hersenkwabben te bevinden. Of misschien zeg ik gewoon ‘hun’ omdat ik dit al m’n hele leven zeg; zo heb ik het thuis meekregen. Of ‘Als het aan hen ligt’ klinkt me gewoon te deftig, zou ook kennen.

Niet dat me dat geen windeieren heeft gelegd

‘Dat heeft me geen windeieren gelegd’: ik blijf erover struikelen. Vooral door dat venijnige ‘geen’. Dus, voor eens en voor altijd en vooral voor mezelf:

‘Dat heeft me geen windeieren gelegd’, maar wel eieren waar ik wél iets aan heb. Windeieren hebben namelijk geen kalkschaal, dus die wil je niet. ‘Tochteieren’ zou een betere omschrijving zijn; dan zie ik een kuikentje voor me dat kouvat. ‘Wind’ associeer ik bovendien met ‘Wind mee hebben’. ‘Geen wind(eieren)’ met ‘Geen wind mee hebben’.

Makkelijker zou zijn: ‘Dat heeft me gelukkig geen windeieren gelegd.’ Of: ‘Had me dat bíjna windeieren gelegd!’

Geen sinecure, die windeieren.