De kwestie hen/hun

‘Dan moet je bij hun zijn’ en ‘Als het aan hun ligt’ klinken prima. Ik zeg het ook altijd zo, maar ik schríjf het met hen. Er mag namelijk geen voorzetsel voor ‘hun’, tenzij het bezittelijk wordt gebruikt (‘in hun auto’), en daarbij: hen-hun.

Schrijftaal en spreektaal lijken zich bij mij in verschillende hersenkwabben te bevinden. Of misschien zeg ik gewoon ‘hun’ omdat ik dit al m’n hele leven zeg; zo heb ik het thuis meekregen. Of ‘Als het aan hen ligt’ klinkt me gewoon te deftig, zou ook kennen.

Niet dat me dat geen windeieren heeft gelegd

‘Dat heeft me geen windeieren gelegd’: ik blijf erover struikelen. Vooral door dat venijnige ‘geen’. Dus, voor eens en voor altijd en vooral voor mezelf:

‘Dat heeft me geen windeieren gelegd’, maar wel eieren waar ik wél iets aan heb. Windeieren hebben namelijk geen kalkschaal, dus die wil je niet. ‘Tochteieren’ zou een betere omschrijving zijn; dan zie ik een kuikentje voor me dat kouvat. ‘Wind’ associeer ik bovendien met ‘wind mee hebben’. ‘Geen wind(eieren)’ met ‘geen wind mee hebben’.

Makkelijker zou zijn: ‘Dat heeft me gelukkig geen windeieren gelegd.’ Of: ‘Had me dat bíjna windeieren gelegd!’

Geen sinecure, die windeieren.

Wolharigemammoetkiezen

In een Volkskrant-artikel over paleontologie werd een ‘wolharige mammoet-kies’ genoemd. Dat moet officieel een wolharigemammoetkies zijn (of wolharige-mammoetkies), omdat een kies nooit wolharig is, laat staan na duizenden jaren. Het is de kies van een wolharige mammoet.

Wordt er over duizend jaar een kies gevonden die na DNA-analyse van mij blijkt te zijn geweest, dan is het een Rob Steijger-kies (of Rob Steijgerkies), dus met hoofdletters én spatie. Met of zonder streepje mag je zelf, uhm, kiezen.

Als ik heel typische kiezen zou hebben, wordt het een robsteijgerkies; een sóórt kies, waardoor de hoofdletters en spatie vervallen. Je tandarts zou dan kunnen zeggen: ‘U hebt robsteijgerkiezen.’

Wat nog altijd beter is dan: ‘U hebt wolharigemammoetkiezen.’

Hoe lang

Het onderscheid hoelang (tijdsduur) en hoe lang (lengte) mag van mij worden opgeheven. Hoe lang dekt in alle gevallen de lading.

Ook in het geval van tijdsduur zeg je namelijk ‘hoe langer het duurt’. Niet ‘hoelanger’.

En neem dit voorbeeld:

A: ‘Ik ga een rondje hardlopen, ga je mee?’

B: ‘Hoe lang?’ / ‘Hoelang?’

Dus A zou op basis van wel of geen spatie kunnen begrijpen of B naar de lengte of de duur van het rondje vraagt? Die spatie hóór je niet. Ik niet althans.

En vergelijk het eens met het onderscheid zolang/zo lang. Zolang gebruik je als ‘ondertussen’ en bij ‘gedurende de tijd dat’ (‘Zolang jij blijft treuzelen…’). In alle andere gevallen schrijf je zo lang, of er nu lengte (‘Nooit geweten dat zonnebloemen zo lang worden’) of duur (‘Nooit eerder een zomer meegemaakt die zo lang duurt’) wordt bedoeld.

Van sommige uitgevers, zoals Boekerij, mag ik (gelukkig) al ‘hoe lang’ gebruiken.

 

Bijvoeglijk naamwoord

Hoe de fuck zit dat? Kon ik vroeger geen film af kijken zonder dat er een slof sigaretten doorheen werd gepaft, wordt er nu te pas en te onpas ‘fuck’ geroepen – en vooral te onpas. Alsof het nu eindelijk mag, alsof het stout is, en dus cool. Maar dat is het niet. En bovendien veroorzaakt het ‘fuck-deflatie’.

Tot een paar jaar terug was het fuck-gebruik in films nog prima in balans, doordat het alleen daar waar nodig werd gebruikt. Bijvoorbeeld door Dennis Farina in Snatch: ‘You know, England! Tea, biscuits, Mary fucking Poppins!’ en Reno en De Nero in Ronin: ‘What ís the color of the boathouse at Hereford? How the fuck should I know?’ Maar in A Million Ways to Die in the West lijkt het alsof Seth MacFarlane er zo veel mogelijk mee wil strooien. Die film had trouwens net zo goed A Million Ways to Convince You that I’m Funny kunnen heten.

Achter het opzichtig opsteken van een sigaret door the bad guy kon ik me nog wel de aanwezigheid van de tabakslobby voorstellen, maar wie er nu baat bij heeft dat ‘fucking’ het meest gebruikte bijvoeglijk naamwoord wordt… no fucking clue.